Porto

Ouderenzorg anno 2015 vraagt om goede samenwerking

Ouderenzorg anno 2015 vraagt om goede samenwerking

Per 1 januari 2015 is de gemeente regieverantwoordelijk voor de zorg voor haar kwetsbare burgers. Ouderen behoren tot deze doelgroep. De regieverantwoordelijkheid van de gemeente voor ouderen is niet nieuw. De Wet publieke gezondheid bepaalt al vanaf 2010 (en nog steeds) dat het College van Burgemeesters & Wethouders (B&W) zorg dient te dragen voor:1

  • het op systematische wijze volgen en signaleren van ontwikkelingen in de gezondheidstoestand van ouderen en van gezondheidsbevorderende en -bedreigende factoren.
  • het ramen van de behoeften aan zorg.
  • de vroegtijdige opsporing en preventie van specifieke stoornissen.
  • het geven van voorlichting, advies, instructie en begeleiding.

Naast deze wet hebben gemeenten ook verantwoordelijkheden op basis van de  Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Gemeenten geven op verschillende wijzen vorm aan het verlenen van steun en zorg aan ouderen, maar de inzet van sociale wijkteams zien we het meest.

De bedoeling van de gemeente is om te komen tot een integrale benadering van de problematiek. Daartoe is het nodig dat professionals de verschillende leefgebieden (zorg, inkomen, huisvesting et cetera) in kaart brengen. Dit gebeurt veelal via het ‘keukentafel-gesprek’ met de oudere inwoner. De professional tracht zicht te krijgen op wat iemand zelf nog kan, wat in eigen kring kan worden opgelost en aan welke zorg de gemeente dient bij te dragen.

Een integraal zorgplan vraagt om afstemming tussen de verschillende professionals onderling; vaak is betrokkenheid van de huisarts en/of de specialist ouderengeneeskunde noodzakelijk. Op hun betrokkenheid richt zich de rest van dit artikel.

Recht op zorg

Wat is het recht op zorg waar een oudere aanspraak op kan maken? Het antwoord op deze vraag moeten wij in eerste instantie zoeken in de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO). Daar lezen wij de wettelijke gebondenheid van de arts aan zijn professionele standaard, aan de normen uit zijn beroepsgroep. De ‘professionele standaard’ is de norm, maar ook gelijk de grens voor het handelen van de arts.2 Dit is een belangrijk uitgangspunt in contacten met patiënten en diens kinderen. Inherent aan de hoge(re) leeftijd van de oudere mens is dat vaak diens kinderen hierbij betrokken zijn. Wij hebben dan drie betrokken partijen: de oudere zelf, diens kind(eren) en de arts. Als alle betrokkenen op één lijn zitten is er geen probleem. Gecompliceerd wordt het indien er verschil van mening is omtrent wat passend en geboden is.

Formeel-juridisch hebben kinderen pas een rol, indien de oudere zelf niet meer is staat is om zijn belangen te bepalen met betrekking tot zijn behandeling en verzorging. De arts weegt of de oudere al dan niet tot een verstandelijke af- en overweging van zijn belangen in staat is. Komt de arts tot de conclusie dat de patiënt op dat moment niet in staat is tot een ‘redelijke waardering van zijn belangen’, dan luidt de conclusie dat de oudere juridisch gezien ‘wilsonbekwaam’ is.3 De arts dient alsdan met de vertegenwoordigers van de oudere te overleggen.

Ingewikkeld kan het worden indien kinderen - die uitgebreid toegang hebben tot informatie die op internet beschikbaar is - wensen naar voren brengen ten aanzien van de behandeling (of het nalaten daarvan) van hun ouder, die afwijken van hetgeen de arts voorstaat. De vraag rijst dan voor de arts: ‘Moet ik de wens van de familie respecteren?’ De WGBO is daar glashelder in: de hulpverlener volgt de wens van de vertegenwoordiger, tenzij deze wens niet verenigbaar is met de ‘zorg van een goed hulpverlener’.4 Met andere woorden: beoordelen wij het meningsverschil op het scherpst van de snede, dan dient de arts heel duidelijk zijn verantwoordelijkheid voor ogen te houden waarbij de leidraad is dat hij dient te handelen volgens de normen van zijn beroepsgroep. De patiënt moet erop kunnen vertrouwen dat de arts deze zorg aan hem ook zal geven. Onder omstandigheden heeft dit tot gevolg dat de arts niet meebuigt met de wens van de familie. Dat goede communicatie met de familie hier onontbeerlijk is, behoeft geen nader betoog. Goede dossiervoering waarin de arts duidelijk zijn af- en overwegingen vermeldt is heel belangrijk. 

Uitwisselen van informatie met andere professionals

De nieuwe wijze waarop de noodzaak van zorg wordt vastgesteld met behulp van sociale wijkteams,5 betekent dat de arts (door de leden van het team) kan worden gevraagd informatie te verstrekken over de oudere, maar ook dat hijzelf de noodzaak ziet om leden van het wijkteam over de oudere te informeren. Dat roept associatie op met begrippen als ‘privacy en beroepsgeheim’.

De eerste vraag die een professional zichzelf moet stellen en die hij ook zelf moet beantwoorden luidt: ‘Wat is het doel waarom ik over deze persoon gegevens wil uitwisselen?‘ Dat doel wordt vastgesteld door te putten uit twee ‘bronnen’. Ten eerste kijkt de professional naar wat zijn beroep hem dicteert, ten tweede kijkt hij naar de taken die door de wetgever (via de gemeente) op zijn schouder zijn gelegd. Als dat doel duidelijk is, kan worden bepaald of en zo ja met wie gegevens dienen te worden uitgewisseld.

Wilsbekwame oudere

Vervolgens moet nog de vraag worden beantwoord: ‘Hoe delen wij informatie? Met toestemming en handtekening van de oudere?’ Nee; in geval van een wilsbekwame oudere informeert de betrokken professional (arts of lid van het sociale wijkteam) de oudere dat én waarom hij gegevens wil delen en met wie. Hij hoopt daarbij op instemming van de oudere. Zo niet, dan weegt hij de bezwaren van de oudere tegen het delen van informatie, ten opzichte van zijn eigen reden om wél gegevens te delen. Zo kan ook worden beoordeeld hoe bekwaam de cliënt is in het maken van zijn overweging waarop dat bezwaar is gebaseerd. Het kan zijn dat de weegschaal in evenwicht blijft en dat leidt ertoe dat er even géén gegevens worden gedeeld. Het kan zijn dat de weegschaal door-slaat naar de kant van de oudere: er worden geen gegevens gedeeld. Het kan ook zijn dat de bezwaren van de oudere géén of onvoldoende gewicht in de schaal leggen. In dat geval schuift de professional de bezwaren terzijde, maar niet dan nadat hij dit voornemen heeft getoetst aan de hand van de drie principes van het ‘juridisch Zwitsers zakmes’. Deze zijn: subsidiariteit (kan het een tandje minder, dan moet het een tandje minder!; proportionaliteit: is het terzijde schuiven van de bezwaren in proportie / in verhouding tot het doel? en doelmatigheid: is het terzijde schuiven van de bezwaren het meest aangewezene om het doel te bereiken? Daarbij is het van belang dat deze af- en overwegingen goed in het dossier worden vastgelegd. De Wet bescherming persoonsgegevens en de WGBO in onderling verband beschouwd bieden deze handelwijze.6

Wilsonbekwame oudere

In geval de oudere onbekwaam is om zijn wil te bepalen met betrekking tot het uitwisselen van informatie, dan informeert de professional - indien mogelijk - de vertegenwoordiger van de oudere zoals hiervoor is beschreven bij het onderdeel ‘wilsbekwame oudere’. 

Uitzondering op informatieplicht

De Wet bescherming persoonsgegevens biedt een belangrijke uitzonderingsmogelijkheid om toch gegevens te delen, terwijl de oudere daarover niet van te voren op de hoogte is gesteld.

De noodzaak om gegevens te delen terwijl de persoon in kwestie daarover niet van te voren wordt geïnformeerd, kan zich voordoen ‘ter voorkoming van strafbare feiten’ indien het in het ‘belang van de bescherming van betrokkene’ is, of in het ‘belang van rechten en vrijheden van anderen’. Dit is een belangrijke mogelijkheid om toch gegevens te kunnen delen indien het van te voren op de hoogte stellen gecompliceerd is. Denk aan huiselijk geweld of ouderenmishandeling: vaak is het noodzakelijk om eerst uit te zoeken of en zo ja welke professionals betrokken zijn, of er al meer informatie beschikbaar is, et cetera.

Het feit dat deze wettelijke mogelijkheid er is, betekent dat professionals ook iets uit te leggen hebben als zij geen gegevens hebben gedeeld terwijl daartoe wel aanleiding was.  

Tot slot moet worden vastgesteld dat de huidige wettelijke mogelijkheden professionals voldoende steun bieden om ouderen die zorg te verlenen waar zij recht op hebben. Laten we ons allen daar bewust van zijn! 

Literatuur
  1. Art. 5a Wet publieke gezondheid. Stb 2010, 198. Inwerkingtreding 1 juli 2010.
  2. Art. 7:453 BW.
  3. Art. 7:465 lid1 BW.
  4. Art. 7:465 lid 4 BW.
  5. Nabij is beter. Gemeenten van de toekomst, KING/VNG, januari 2015. www.wijkteamswerken.nl | www.beteroud.nl
  6. Art. 7:457 lid 2 BW; art. 8 d en e Wbp.
  7. Art. 43 Wbp.

Deel dit artikel

Reacties

Er zijn nog geen reacties op dit artikel

Plaats een reactie

Het is op dit moment niet mogelijk om reacties te plaatsen. Excuses voor het ongemak.