Porto

Externe rechtspositie van onvrijwillige opneming en verblijf

Van patiënten in verpleeghuizen

Externe rechtspositie van onvrijwillige opneming en verblijf

Van patiënten in verpleeghuizen

Na een lange ontstaansgeschiedenis is de wet Bijzondere Opneming in Psychiatrische Ziekenhuizen (Wet BOPZ) in werking getreden op 17 januari 1994. Deze wet was nodig omdat in de jurisprudentie inmiddels was bepaald dat degene die tegen zijn wil was opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis meer rechten had en dat de opnameprocedure met meer waarborgen moest worden omgeven dan in de oude Krankzinnigen wet (KZ) was opgenomen. De wet is zowel gedurende de ontstaansgeschiedenis als na de inwerkingtreding onderwerp van veel discussie geweest

Uit de eerste twee wetsevaluaties bleek dat de uitbreiding van de wet naar de categorieën verpleeghuis en gehandicaptenzorg, na een moeizame start, en de kennis van de wet wel aanwezig was maar de bereidheid om er mee te werken was niet erg groot. Dit laatste heeft uiteindelijk geleid tot een nieuw wetsontwerp Zorg en Dwang dat de positie regelt van mensen met dementie of verstandelijke beperkingen. Nu dit wetsontwerp door de Eerste Kamer op 8 september 2013 is aangehouden in afwachting van het wetsvoorstel Verplichte Geestelijk Gezondheidszorg (Wet verplichte GGZ) en de inwerkingtreding op zich laat wachten zal ik mij in deze bijdrage beperken tot de regelingen zoals vastgelegd in de wet BOPZ voor psychogeriatrie en mensen met een verstandelijke beperking. 

Systeem van de wet BOPZ

Alvorens inhoudelijk in te gaan op de verschillende modaliteiten waarmee iemand kan worden opgenomen, wil ik beginnen met een toelichting op de wijze waarop in de wet de diverse rechtsposities van de betrokkenen worden geregeld. Naast de externe rechtspositie wordt in de wet BOPZ de interne rechtspositie behandeld. De interne rechtspositie heeft betrekking op de rechten en plichten van betrokkenen die tegen hun wil zijn opgenomen. Hierin is geregeld het behandelingsplan, wanneer dwangmiddelen en middelen en maatregelen mogelijk zijn, de huisregels waaraan betrokkenen zich moeten houden, alsmede de rechtsmiddelen en klachtregeling waar betrokkenen gebruik van kunnen maken.

Met betrekking tot de dwangbehandeling heeft de wetgever een onderscheid gemaakt tussen betrokkenen opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis en diegenen die opgenomen zijn in een verpleeghuis of zwakzinnigeninrichting. Art 38 BOPZ is van toepassing op diegenen die opgenomen zijn in een verpleeghuis. In artikel 61 wordt de interne rechtspositie geregeld voor betrokkenen die op grond van artikel 60 BOPZ, met een indicatie, in een verpleeghuis zijn opgenomen. Tevens is in het besluit middelen en maatregelen bepaald dat voor deze groep betrokkenen separatie niet mogelijk is.  In artikel 61 lid 2 BOPZ is geregeld welke maatregelen getroffen moeten worden indien iemand, die met een indicatie is opgenomen, zijn verblijf wenst te beëindigen.

In dit artikel zal ik mij beperken tot de externe rechtspositie te weten de verschillende mogelijkheden waarmee iemand tegen zijn wil kan worden opgenomen.

De externe rechtspositie

In hoofdstuk 2 van de wet BOPZ wordt de externe rechtspositie geregeld van betrokkenen die tegen hun wil zijn opgenomen. Met externe rechtspositie wordt gedoeld op de verschillende manieren waarop iemand tegen zijn wil kan worden opgenomen in een psychogeriatrisch verpleeghuis. Zoals hierboven al even genoemd zorgde de inwerkingtreding van de wet BOPZ, die ook van toepassing is op psychogeriatrische patiënten, voor veel problemen omdat er een totale onbekendheid was op dit terrein met dergelijke wettelijke regelingen.

De bekendheid van de wet is ondertussen verbeterd maar in de praktijk blijkt dat de toepassing nog niet optimaal is. Bij een onvrijwillige opname in een verpleeg- of verzorgingshuis spreekt men in zijn algemeenheid van een opname op grond van een rechterlijke machtiging (RM). In de Wet BOPZ, tekst en toelichting, stelt Mr. dr. R.B.M. Keurentjes dat de Kapstok met betrekking tot de externe rechtspositie de voorlopige machtiging (VM) is. Alle andere machtigingen zijn hiervan afgeleid. Alvorens alle opnamemodaliteiten te bespreken is het van belang inzicht te geven in de criteria die kunnen leiden tot een verzoek tot het verlenen van een rechtelijke machtiging en derhalve tot een gedwongen opname in een verpleeghuis.

Wettelijke criteria waaraan een onvrijwillige opname moet voldoen

Artikel 2 wet BOPZ regelt de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan alvorens de rechter een voorlopige machtiging kan afgeven. Deze voorwaarden, waaraan de rechter toetst, staan limitatief in genoemd artikel opgesomd te weten:

  1. er moet sprake zijn van een stoornis van de geestvermogens;
  2. die geestesstoornis doet bij betrokkenen het gevaar veroorzaken;
  3. dat gevaar kan niet door tussenkomst van personen en of instellingen worden afgewend;
  4. er moet causaal verband bestaan tussen de stoornis en het genoemde gevaar;
  5. er moet geen blijk zijn van de nodige bereidheid tot vrijwillige opname.


Stoornis, gevaar en causaal verband

Vooropgesteld is het van belang dat de geestesstoornis door de rechter wordt beoordeeld vanuit de optiek van de wet BOPZ, dat betekent dat de geestesstoornis alleen relevant is wanneer het gevaar dat bij betrokkene aanwezig is wordt veroorzaakt door deze geestesstoornis. De wetgever spreekt van een stoornis in denken, willen, voelen, oordelen en doelgericht handelen die zo ingrijpend zijn dat het veroorzaakte gevaar betrokkene niet kan worden toegerekend ( MvA, Ks. 11 270 nr. 12, pag. 12).

In art. 3 BOPZ wordt in afwijking van art. 2 BOPZ een onderscheid gemaakt tussen psychiatrische patiënten, verstandelijk gehandicapten en psychogeriatrische patiënten. Wanneer er bij deze laatste groep patiënten voldaan is aan de vereisten zoals hierboven omschreven (geestesstoornis, gevaar en causaliteit en het verband daartussen) kan ook bij deze groep patiënten een gedwongen opname volgen. Het probleem dat zich echter voordoet is dat deze groep patiënten vaak geen blijk kunnen geven van de nodige bereidheid tot opname. Ook de wettelijke vertegenwoordiger kan dit niet in hun plaats doen. Dit laatste kan worden afgeleid van art 15 lid 2 van de Grondwet en art. 5 lid 4 van Het Europees verdrag van de rechten van de mens (EVRM). Wanneer de regeling van de rechterlijke machtiging onverkort op deze categorie patiënten zou worden toegepast zou dit kunnen leiden tot een onevenredig aantal rechterlijke machtigingen. Om die reden heeft de wetgever, wanneer het gaat om verstandelijk gehandicapten en psychogeriatrische patiënten, gekozen voor drie opname modaliteiten waarbij het al dan niet tonen van verzet cruciaal is. In die zin is art. 3 BOPZ een uitzondering op de regel van art. 2 BOPZ. Wanneer een persoon die verblijft in een van de hierboven genoemde instellingen verzet toont tegen deze opname is een rechtelijke machtiging of in geval van spoed een Inbewaringstelling (IBS) vereist. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het verzet van de betrokkenen zelf moet komen en niet van zijn wettelijke vertegenwoordiger die zich tegen de opname verzet.

Een betrokkenen in een psychogeriatrische instelling kan dus worden opgenomen via een indicatie commissie of door tussenkomst van de rechter. De opnamemogelijkheden zijn de volgende: 

  1. betrokkene is niet bereid tot opname maar toont ook geen bezwaar tegen een opname. In dat geval zal een indicatiecommissie de opname en het verblijf moeten indiceren, wel dient dan duidelijk te worden medegedeeld dat betrokkene zich kan verzetten tegen opname;
  2. betrokkene verzet zich tegen opname en verblijf. In dat geval zal een rechterlijke machtiging worden verzocht of, in geval van een spoedopname een IBS.

Bij criterium 2, geen bereidheid geen bezwaar, is artikel 60 BOPZ van toepassing. In dit artikel wordt de positie van patiënten geregeld die niet thuis kunnen wonen. Verder regelt dit artikel de indicatiecommissies en de indicatiestelling. Het is van belang dat de indicatie kort voor de feitelijke opname plaatsvindt. Het criterium waaraan de indicatiecommissie moet toetsen is ‘Het zich niet buiten de instelling kunnen handhaven’. In de praktijk komt het nog wel eens voor dat de indicatie allang voor de feitelijke opname heeft plaatsgevonden, hetgeen voor de BOPZ toets niet juist is.

Wanneer is er sprake van verzet

Onder verzet moet volgens de wetgever worden verstaan ‘Het op enigerlei wijze kenbaar maken dat de opname en het verblijf worden afgewezen’. Het feitelijk gedrag van betrokkene is hierbij bepalend. Dit gedrag kan zowel verbaal als non-verbaal worden geuit. Voorbeelden van verzet; naar de deur lopen, proberen naar buiten te gaan, weigeren te eten of te drinken. In de praktijk is verzet vaak een moeilijk te omschrijven begrip, wat ik hieronder aan de hand van een voorbeeld zal bespreken.

Casus
Een 73-jarige vrouw, waarbij al een paar jaar geleden beginnende dementie is vastgesteld, wordt thuis verzorgd door haar echtgenoot met behulp van thuiszorg en waar nodig springen de kinderen bij. De gezondheid van mevrouw verslechterd langzaam maar zeker, hetgeen gepaard gaat met boosheid en agressie naar de echtgenoot en de thuiszorg. Op een gegeven moment staat mevrouw midden in de nacht op en gaat door het huis dwalen. In het begin weet de echtgenoot haar nog te overreden weer naar bed te gaan, maar na een paar weken weet mevrouw ongemerkt het huis uit te komen en gaat midden in de nacht de straat op. Gelukkig wordt zij door een buurman gesignaleerd en deze keer weer veilig thuis gebracht. De ontstane situatie leidt ertoe dat de echtgenoot haar ’s nachts niet meer alleen kan laten met het gevolg dat hij niet meer aan zijn nachtrust toekomt. De huisarts bespreekt met de familie dat mevrouw niet langer thuis kan blijven en men na moet denken over een opname in een verpleeginrichting. Eerst roept dit bij de familie weerstand op en voelt het als een falen in de zorg en aandacht voor de betrokkene.

Dan komt het moment dat mevrouw weer het huis uitglipt en midden op straat loopt waardoor er een gevaarlijke verkeerssituatie ontstaat. Nu is er geen buurman die mevrouw thuisbrengt, maar de politie die alarm slaat.

Omdat mevrouw zich verzet tegen een opname wordt er met de huisarts besproken dat dit het moment is waarop een juridische maatregel de enige mogelijkheid is om verdere ongelukken te voorkomen. Omdat in deze casus het thuisfront nog niet geheel is uitgeput, is een spoedopname met een Inbewaringstelling niet nodig en kan de beoordelingsprocedure voor een voorlopige machtiging worden afgewacht. Hieronder zal ik de diverse mogelijkheden, juridische procedures alsmede de hieraan door de wet gestelde termijnen, per modaliteit voor een opname tegen de wil van betrokkene bespreken.

Opname modaliteiten in de wet BOPZ

Voorlopige machtiging (VM)

De voorlopige machtiging is de basismachtiging waarvan alle andere machtigingen tot opname zijn afgeleid. Hieronder valt niet de Inbewaringstelling (IBS), dit is een spoedopname die apart in de wet is geregeld en ook als zodanig zal worden besproken. Wanneer de aanvraag voor een VM voldoet aan de wettelijke criteria zoals hierboven besproken, is de juridische procedure als volgt, waarbij als uitgangspunt de hierboven beschreven casus zal worden genomen.

Het verzoek tot indienen van een voorlopige machtiging is geregeld in art. 4 BOPZ en kan worden gedaan door de echtgenoot, ouders of voogd van de betrokkene. Deze opsomming is echter niet compleet, de wetgever spreekt over de wettelijk vertegenwoordiger en (naaste) familiebetrekkingen. Ook de officier van justitie kan ambtshalve, dit betekent dat deze zelfstandig bevoegd is, een verzoek bij de rechtbank indienen. Dit is geregeld in art 6 BOPZ.

Geneeskundige verklaring

De indiening van het verzoek tot opname met een VM begint met een verklaring, in de wet geneeskundige verklaring genoemd, van een psychiater die de betrokkene kort voor de opname heeft gezien en onderzocht. De wet stelt de eis dat deze psychiater onafhankelijk moet zijn, dat wil zeggen betrokkene niet kent en niet eerder bij de behandeling betrokken is geweest. Uit deze geneeskundige verklaring moet blijken dat de betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens en deze stoornis het gevaar doet veroorzaken, zoals hierboven beschreven hangt het weglopen samen met het voortschrijdend dementieel proces en is er een causaal verband tussen stoornis en gevaar. Art. 5 BOPZ beschrijft de eisen waaraan een geneeskundige verklaring moet voldoen. Van belang is dat de wet voorschrijft dat een geneeskundige verklaring door een psychiater moet worden opgemaakt, dat betekent dat een psychiater het opstellen van de geneeskundige verklaring niet mag overlaten aan een arts assistent. Dit vloeit voort uit art. 5 in samenhang met art 1 onder j BOPZ, omdat het hier om een het grondrecht van vrijheid gaat zoals verwoord in art. 15 van de grondwet en art. 5 lid 1 onder e van het Europees Verdrag van de Rechten van de mens (EVRM). In de jurisprudentie wordt gesproken over een medical expert, dit in navolging van een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 5 oktober 2000 ( in de zaak Varbanov/Bulgarije).  In de jurisprudentie is veel geschreven wat onder een medical expert kan worden verstaan. De Hoge Raad (HR) heeft, in een uitspraak van 13 december 2013 een beschikking van de rechtbank vernietigd op grond van het feit dat een arts voor verstandelijk gehandicapten een geneeskundig onderzoek in een psychiatrisch ziekenhuis had verricht.

In deze uitspraak heeft de HR gesteld dat het aan de wetgever is om te bepalen of en zo ja in welke gevallen ook andere artsen dan een psychiater voor toepassing van de wet BOPZ kunnen gelden als 'medical expert'. Verenso, de vereniging voor specialisten ouderengeneeskunde, heeft naar aanleiding van deze uitspraak de wetgever opgeroepen dit zo snel mogelijk te regelen. Per 1 februari 2014 is middels een veegwet de wet BOPZ gerepareerd en is de specialist ouderengeneeskunde alsmede de arts voor verstandelijk gehandicapten in de wet BOPZ gelijk gesteld aan een psychiater in de zin van de wet BOPZ.

Procedure voor opname

Het verzoek tot het doen opnemen van een betrokkene in een verpleeginrichting voor psychogeriatrie met een VM wordt ingediend bij de Officier van Justitie (OvJ). Na ontvangst van dit verzoek, doet de OvJ bij de rechtbank van de woonplaats van betrokkene, een verzoek tot het verlenen van een VM. De termijn waarbinnen de rechtbank beslist moet volgens de wet ‘zo spoedig mogelijk.’ Indien het verzoek voor een VM betrekking heeft op een persoon verblijvende in een verpleeghuis, beslist de rechter in ieder geval binnen drie weken na indiening van het verzoek door de OvJ. Verblijft de betrokkene thuis, zoals in de hierboven beschreven casus, dan is de termijn eveneens drie weken, maar dient betrokkene wel binnen twee weken, nadat de beslissing is genomen, te worden opgenomen. Zijn de twee weken verstreken en is de persoon die het betreft nog niet opgenomen dan kan de VM niet meer ten uitvoer worden gelegd. Wanneer de termijn, waarbinnen de beslissing moet worden genomen wordt overschreden, kan de betrokkene, die is opgenomen in een verpleeginrichting, deze verlaten.  

Procedure ter zitting

De procedure ter zitting zal ik aan de hand van de hierboven beschreven casus behandelen. Aan de hand van de stukken die de rechter heeft ontvangen van de OvJ moet deze de zitting voorbereiden. Wanneer de betrokkene onder curatele is gesteld, dan wel wanneer er ten behoeve van betrokkene mentorschap is ingesteld, dient tevens een uittreksel uit het curatele register dan wel een afschrift van de beschikking waarbij het mentorschap is ingesteld, te worden overgelegd. Van belang bij de beoordeling ter zitting is de inhoud van de geneeskundige verklaring. Eerst zal de rechter moeten beoordelen of deze voldoet aan de door de wet gestelde formele vereisten. 

a. Formele vereisten

  • De verklaring dient opgemaakt te zijn door een psychiater of specialist ouderengeneeskunde, die betrokkene kort van de voren heeft onderzocht en gesproken, maar niet bij de behandeling is betrokken.
  • De verklaring moet inzicht verstrekken in de actuele situatie van betrokkene en moet gemotiveerd en onderbouwd zijn.
  • De verklaring moet ondertekend zijn door de verantwoordelijke psychiater of specialist ouderengeneeskundige, die de betrokkene zelf heeft onderzocht en gesproken.

Als een arts-assistent het onderzoek heeft gedaan en geholpen heeft bij het opstellen van de verklaring, mag deze mede ondertekenen maar de psychiater of ouderengeneeskundige blijft eindverantwoordelijk voor de verklaring. Wanneer het een machtiging betreft voor iemand die reeds vrijwillig in de instelling verblijft maar zich verzet tegen voortzetting van dit verblijf, en de vrijwillige opname wordt omgezet in een gedwongen opname, moet de geneesheer –directeur, wanneer deze niet bij de behandeling is betrokken, de verklaring ondertekenen. Is deze wel bij de behandeling betrokken dan tekent de waarnemend geneesheer –directeur.

b. Materiële vereisten

Het formulier betreffende de geneeskundige verklaring dient gemotiveerd en goed onderbouwd de geestelijke stoornis van betrokkenen te beschrijven. Wanneer het, zoals in de hierboven beschreven casus een dementiële stoornis betreft, moet in de geneeskundige verklaring de aard en de ontwikkeling beschreven zijn. Tevens dient in de geneeskundige verklaring het gevaar beschreven te worden. Van belang is het causaal verband tussen de stoornis en het gevaar. Het is belangrijk om in de verklaring te benoemen welke gebeurtenissen, die het gevaar hebben doen veroorzaken, zich hebben voorgedaan. Wanneer deze gebeurtenissen niet of onvoldoende in de geneeskundige verklaring worden benoemd, zal de rechter ter zitting vragen stellen om op die wijze voldoende informatie en inzicht te verkrijgen om een weloverwogen beslissing op het verzoek te kunnen nemen.

In geval van betrokkenen met een dementie is het belangrijk om goed te beschrijven waarom het niet meer mogelijk is het gevaar buiten het ziekenhuis af te wenden. Hetgeen in de geneeskundige verklaring als gevaar wordt beschreven wordt ter zitting vaak afgezwakt omdat de familie het heel moeilijk vindt vader of moeder te laten opnemen en het ervaart als te hebben gefaald in het bieden van goede zorg. Het is de taak van de ter zitting aanwezige behandelaar om de rechter juist en voldoende voor te lichten over de stoornis en het gevaar. De betrokkene of de advocaat van betrokkene worden eveneens in de gelegenheid gesteld tot het stellen van vragen. De zitting is een belangrijk moment omdat betrokkene en de advocaat in de gelegenheid worden gesteld gehoord te worden en op dat moment de beslissing wordt genomen voor onvrijwillige opname en verblijf in een instelling voor psychogeriatrische zorg. De rechter moet er voor waken dat een eventuele opname, waarbij aan de betrokkene zijn vrijheid wordt ontnomen, voldoet aan alle wettelijke criteria zoals omschreven in de grondwet en het EVRM. Ter zitting gebeurt het nogal eens dat er een arts aanwezig is die de betrokkene niet kent en, in het gunstigste geval, kort voor de zitting even heeft gesproken. Het moet duidelijk zijn dat er dan een situatie kan ontstaan dat de door de rechter gestelde vragen niet of onvoldoende kunnen worden beantwoord.

In het geval waarin aan de rechter onvoldoende of onjuiste informatie wordt verstrekt, is het niet goed mogelijk om een verantwoorde beslissing op het verzoek te kunnen nemen. Dit kan leiden tot de, voor alle betrokkenen, ongewenste situatie dat de rechter het verzoek afwijst. Het is van belang te benadrukken dat de wet BOPZ een opname wet is en geen behandelwet. De rechter toetst of er voldaan is aan de wettelijke criteria om iemand tegen zijn wil op de te nemen en te doen verblijven in een instelling voor psychiatrische zorg. De voorlopige machtiging heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden na dagtekening, art. 10 wet BOPZ. De termijn gaat lopen op de dag na dagtekening. 

Inbewaringstelling (IBS art 20 e.v. BOPZ)

Wanneer in de hierboven beschreven casus, na aanvraag van de VM, de rechter pas na tien dagen, nadat het verzoek is ingediend, betrokkene komt horen, kan het geval zich voordoen dat de situatie, voordat de rechter komt horen, thuis escaleert en het gevaar dat de stoornis bij betrokkene veroorzaakt zo onmiddellijk en dreigend is, dat de beoordeling van de VM niet kan worden afgewacht. In een dergelijke situatie kan een IBS worden verzocht. Een IBS is een noodmaatregel en alvorens deze kan worden vereend moet aan de volgende criteria zijn voldaan:

  • het ernstige vermoeden dat de geestesstoornis van betrokkene het gevaar doet veroorzaken;
  • het gevaar niet door tussenkomst van personen en of instellingen kan worden afgewend;
  • betrokkene moet ouder zijn dan 12 jaar en niet bereid zijn zich vrijwillig te laten opnemen.

Aan al deze eisen moet cumulatief worden voldaan, alvorens de burgemeester een last tot inbewaringstelling kan afgeven. De burgemeester kan geen IBS gelasten wanneer niet door een niet behandelend arts een Geneeskundige verklaring is afgegeven. Omdat het hier gaat om een spoedmaatregel heeft de wet bepaald dat het niet per se een psychiater behoeft te zijn die de geneeskundige verklaring afgeeft. Dit betekent dat het ook de huisarts mag zijn. Voorwaarde is dan wel dat de huisarts overleg pleegt met een psychiater.

In de praktijk wordt een dergelijk onderzoek vaak verricht door een assistent geneeskunde (niet) in opleiding, agio of agnio. Zoals hierboven besproken is het de vraag of de geneeskundige verklaring niet opgemaakt door een ‘medical expert’ voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Volgens de Hoge Raad niet. Ook telefonisch overleg met een psychiater is niet voldoende. In de praktijk is hiervoor de volgende oplossing gevonden. Wanneer een geneeskundige verklaring niet is opgemaakt door een “medical expert” dient binnen 24 uur nadat de betrokkene is opgenomen een psychiater een aanvullende verklaring op te stellen dat hij betrokkene heeft gezien. Een dergelijke verklaring wordt een Varbanov verklaring genoemd, naar het arrest van het EVRM zoals hierboven beschreven.

Wanneer er is voldaan aan alle criteria en de burgemeester de beschikking tot een inbewaringstelling heeft afgegeven, de stukken aan de OvJ heeft gezonden, dient de betrokkene binnen 24 uur na het tijdstip waarop de beschikking is gegeven, te worden opgenomen in een daarvoor in aanmerking komende psychiatrische zorginstelling. De OvJ dient het verzoek, met de geneeskundige verklaring en de beschikking van de burgemeester, tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling in bij de rechtbank. Dit dient uiterlijk een dag na datum van ontvangst plaats te vinden. De rechter dient binnen drie dagen, vanaf de dag waarop het verzoek door de OvJ bij de rechtbank is ingediend, de betrokkene te horen. Tevens is in de wet geregeld dat de burgemeester zorg draagt dat betrokkene wordt bijgestaan door een advocaat. (art 22 BOPZ). In het geval een ziekenhuis opname weigert kan de burgemeester het ziekenhuis bevelen tot opname (art 24 BOPZ).

De behandeling ter zitting is gelijk aan de hierboven beschreven procedure. De rechter toetst weer de formele en de materiële criteria waaraan de opname moet voldoen. Wanneer er sprake is van een geneeskundige verklaring niet opgemaakt door een medical expert zal de rechter extra kritisch zijn of er een Varbanov verklaring aanwezig is en of deze voldoet aan de daarvoor gestelde criteria.

Omdat het hier een spoed opname betreft en het niet altijd mogelijk is om uitgebreid onderzoek te doen, stelt de wet minder zware eisen aan de stoornis van de geestvermogens. Voldoende is dat er een ernstig vermoeden bestaat van een geestesstoornis. De IBS heeft een geldigheidsduur van ten hoogste drie weken. In deze casus kan zich de situatie voordoen dat ter zitting twee verzoeken tot een onvrijwillige opname door de rechter behandeld moeten worden, te weten de VM en de IBS. De rechter zal ter zitting de behandelaar, de advocaat en andere belanghebbenden horen en vervolgens beslissen of de VM of de IBS het meest in het belang van betrokkene is. In het geval dat in deze casus het verzoek tot een VM wordt toegewezen zal de machtiging voortzetting van de IBS worden afgewezen.

Overige opname modaliteiten

Omdat, zoals hierboven reeds is gesteld, de Voorlopige machtiging de basis is van alle overige machtigingen, zal ik de overige machtigingen, die in dit kader van belang zijn, kort bespreken.

Machtiging tot voortgezet verblijf (MVV) (art 15 e.v. wet BOPZ)

Wanneer na afloop van een Voorlopige machtiging blijkt dat de stoornis en het gevaar nog onverminderd aanwezig zijn, kan een verzoek tot een machtiging voortgezet verblijf worden gedaan. Hiervoor gelden dezelfde criteria als genoemd onder de VM. Echter dient naast de genoemde geneeskundige verklaring ook een voortgangsrapportage en een behandelplan te worden overgelegd. De wet stelt dat het verzoek tot een MVV ingediend moet worden tijdens de zesde of vijfde week voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende machtiging. In de praktijk is dit niet altijd haalbaar en blijkt uit de jurisprudentie dat een verzoek ingediend één dag voor het verloop van de termijn van de lopende machtiging, ontvankelijk wordt verklaard. De rechter dient binnen vier weken nadat het verzoek tot het verlenen van een MVV bij de rechtbank is ingediend betrokkene gehoord te hebben. De rechter dient dan wel bedacht te zijn op het feit dat de ingangsdatum van de nieuwe machtiging moet aansluiten bij de het einde van de termijn van de voorafgaande machtiging. Dit naar aanleiding van een uitspraak van de Hoge Raad dat ‘Het door de wettelijke termijnen beschermde belang van betrokkenen eraan in de weg staat dat een machtiging tot voortgezet verblijf wordt verleend voor een langere duur dan ten hoogste een jaar na de dag waarop de lopende machtiging eindigde.’ (HR 19 januari 1996) De duur van een MVV is ten hoogste een jaar. Ter zitting wordt in de meeste gevallen uitgebreid stil gestaan bij de duur van deze machtiging. De rechter kan, wanneer daar uit het verhandelde ter zitting aanleiding toe is, de duur verkorten tot bijvoorbeeld een half jaar, en indien wenselijk tot drie maanden. Wanneer dit het geval is wordt hier ter zitting uitgebreid over gesproken en moet dit ook in de beschikking duidelijk worden gemotiveerd. Ook kan hangende de lopende machtiging de behandelaar besluiten de betrokkene met ontslag, wel of niet onder voorwaarden, te laten gaan.

Voorwaardelijke machtiging (art 14 a e.v. BOPZ)

Op grond van art 14a BOPZ kan de rechter op verzoek van de OvJ een voorwaardelijke machtiging verlenen wanneer naar het oordeel van de rechter de stoornis van de geestvermogens bij betrokkene gevaar doet ontstaan en het gevaar buiten de verpleeginrichting slechts door het stellen van voorwaarden kan worden afgewend.  Niet iedere betrokkene komt voor deze machtiging in aanmerking, hij zal de noodzakelijkheid van de behandeling moeten inzien en zelf de verantwoordelijkheid moeten en kunnen dragen om de voorwaarden na te leven. Ook zal de betrokkene moeten kunnen inzien dat bij niet naleving van de voorwaarden een gedwongen opname alsnog zal kunnen volgen. Deze randvoorwaarden houden in dat iemand die beperkt of geen ziekte inzicht heeft niet in aanmerking komt voor een voorwaardelijke machtiging.

Vereisten verzoek Het verzoek tot een voorwaardelijke machtiging moet aan de volgende vereisten voldoen. Naast de geneeskundige verklaring moet een behandelingsplan dat met instemming en in overleg met de betrokkene is opgesteld worden overgelegd. Uit het behandelingsplan moet blijken dat het overleg tussen de behandelaar en de betrokkene tot overeenstemming heeft geleid, mocht dit niet het geval zijn dan moet de behandelaar aangeven op welke gronden hij tot het oordeel is gekomen dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven. In het behandelingsplan moeten de volgende voorwaarden worden opgenomen:

  • de therapeutische middelen die zullen worden toegepast teneinde het gevaar buiten de inrichting af te wenden;
  • de behandelaar die verantwoordelijk is en de wijze waarop deze toeziet op de naleving van de voorwaarden;
  • tevens wordt vermeld welk psychiatrisch ziekenhuis bereid is betrokkene op te nemen wanneer deze de voorwaarden niet nakomt.

De rechter zal slechts een voorwaardelijke machtiging toewijzen wanneer betrokkene zich bereid verklaard tot naleving van de voorwaarden, of redelijkerwijs is aan te nemen dat de voorwaarden nageleefd zullen worden. De instemming is heel belangrijk, betrokkene moet wilsbekwaam zijn en moet begrijpen waarmee hij instemt.

De voorwaardelijke machtiging heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden na haar dagtekening. Wanneer de betrokkene de voorwaarden niet langer naleeft en het gevaar buiten de inrichting niet langer kan worden afgewend kan de geneesheer-directeur, van het in de voorwaarden genoemde ziekenhuis, betrokkene doen opnemen. De duur van deze opname geschiedt hooguit voor de resterende geldigheidsduur van de lopende voorwaardelijke machtiging en wordt de voorwaardelijke machtiging omgezet in een voorlopige machtiging. Wanneer betrokkene het niet eens is met de opname kan hij de OvJ verzoeken om een verzoek in te dienen bij de rechtbank. Vervolgens kan de rechter het bezwaar, tegen de beslissing van de geneesheer-directeur, behandelen en een beslissing nemen over de rechtmatigheid van opname. De rechter zal moeten beoordelen of op het moment van de te nemen beslissing, gelet op alle feiten en omstandigheden van dat moment, het gevaar wel of niet kan worden afgewend door het naleven van de met de betrokkene overeengekomen voorwaarden. 

Samenvatting en afronding

In dit artikel heb ik geprobeerd de belangrijkste knelpunten bij een onvrijwillige opname in een instelling voor psychogeriatrie te bespreken, maar realiseer mij dat in dit korte bestek niet alles aan bod kan komen. Omdat de meest voorkomende opname modaliteiten in een verpleeghuis de voorlopige machtiging, de machtiging voortgezet verblijf en de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling betreffen, heb ik mij hiertoe beperkt. Een voorwaardelijke machtiging zou mogelijk kunnen zijn, maar in de meeste gevallen voldoet de doelgroep, die het hier betreft, niet aan de vereisten van wilsbekwaamheid en het dragen van verantwoordelijkheid voor het eigen handelen.

Het zal duidelijk zijn dat de wet BOPZ onvoldoende handvatten biedt voor mensen met psychogeriatrische problematiek. De Wet Zorg en Dwang, die door de Tweede Kamer is aangenomen en nu nog wacht op behandeling door de Eerste Kamer zou hier beter toe zijn uitgerust. Omdat er verschillende voorstellen voor gedwongen zorg de laatste jaren zijn ingediend en gewijzigd en deze voorstellen onderling nogal verschillen, is het de vraag of deze verwachting bewaarheid wordt. Van belang is dat de rechtspositie van de betrokkenen optimaal gewaarborgd blijft. Het is goed om ons te realiseren dat het spanningsveld tussen de behandelnoodzaak, zoals de medicus voor ogen staat, en de bescherming van de rechtspositie van de tegen zijn wil opgenomen patiënt, welke door de rechter bewaakt dient te worden, ook onder een nieuwe wet zal blijven bestaan.

 

Literatuur
  • Wet BOPZ, tekst en toelichting, Mr. dr. R.B.M. Keurentjes.
  • Kamerstukken wet verplichte GGZ en wet Zorg en Dwang
  • Nieuw tussenstand Wet verplichte GGZ; voortgang, twijfels en zorgen. Door Mr. drs. T.P. Widdershoven en Mr. dr. V.E.T. Dörenberg (tijdschrift voor gezondheidsrecht 2/2014).
  • Diverse jurisprudentie.

Deel dit artikel

Reacties

Er zijn nog geen reacties op dit artikel

Plaats een reactie

Het is op dit moment niet mogelijk om reacties te plaatsen. Excuses voor het ongemak.