Porto

5 vragen aan...Carrol Terleth, directeur-bestuurder Verenso

5 vragen aan...Carrol Terleth, directeur-bestuurder Verenso

Sinds 1 december 2016 is Carrol Terleth de nieuwe directeur-bestuurder van Verenso. Via onze rubriek ‘5 vragen aan …’ kunt u wat meer over hem te weten komen.

1. Waarom heeft u voor Verenso gekozen?

Na een flink aantal jaren in de directies van ziekenhuizen en revalidatiecentra gewerkt te hebben, leek het mij interessant om meer nationaal actief te zijn. Vanuit mijn tijd als directeur van de Boerhaave Commissie kende ik de specialisten ouderengeneeskunde (onder de oude naam verpleeghuisarts). Samen met de huisartsen was dit een belangrijke doelgroep, met een eigen commissie die de bij- en nascholing regelde. Ik denk daar nog altijd met veel plezier aan terug, dus ik heb niet getwijfeld toen ik de vacature bij Verenso zag.

2. Wat is uw visie op de ouderengeneeskunde en de rol van Verenso daarbij?

Ouderengeneeskunde is inmiddels ‘hot’ en zal door de toenemende vergrijzing het komende decennium alleen maar aan relevantie winnen. Het is aan Verenso om te zorgen dat er voldoende bewustwording is van het belang van goede ouderengeneeskunde. Dit betekent voldoende en goed gepositioneerde specialisten ouderengeneeskunde.

Een paar voorbeelden noem ik hier. Als oud-wetenschapper valt het mij op hoe relatief weinig wetenschappelijke kennis er is rondom ouderengeneeskunde en ouderenzorg. Daar lopen we als Verenso bij het ontwikkelen van richtlijnen telkens tegenaan. Gelukkig wordt er al een flinke inhaalslag gemaakt getuige het groeiende aantal aioto's. De eerste vruchten daarvan beginnen we nu te plukken: Simone Hendriks is als eerste aioto op 10 april gepromoveerd op haar proefschrift ‘Understanding the clinical course of dementia. A search to optimize palliative care for nursing home residents'.* Ik ben ook blij met de in het ‘kwaliteitskader verpleeghuiszorg’ aan de sector gestelde opdracht, om een onderzoekagenda op te stellen en een opdracht aan VWS en ZonMW om dit onderzoek mogelijk te maken. Ik vind het verder vreemd dat ruwweg de helft van de UMC’s zich amper bezig lijken te houden met ouderengeneeskunde, anders dan een enkele onderzoeksgroep, terwijl voor vrijwel alle specialismen inmiddels geldt dat de grote meerderheid van hun patiënten uit ouderen bestaat. Tegelijkertijd zien we dat er een overschot aan basisartsen is ontstaan, terwijl de opleidingsplaatsen voor specialisten ouderengeneeskunde maar moeilijk vervuld worden. Waarschijnlijk maakt onbekend onbemind.

Dat is dus een tweede aandachtspunt: goede inbedding van ouderengeneeskunde in het basiscurriculum (en de vervolgopleidingen) en het vaststellen van een verplicht coschap ouderengeneeskunde. Dat lijken mij basale vereisten. De ideeën die leven bij menig bestuurder in de V&V sector zijn eveneens een aandachtspunt. Het op orde brengen van kwaliteit en veiligheid in de ouderenzorg kan mijns inziens alleen in nauwe samenwerking met de professionals en dan met name de specialisten ouderengeneeskunde. Zij hebben bijvoorbeeld verstand van infectiepreventie, antibioticaresistentie en medicatie. Het is een misverstand om te denken dat managers de problemen op die terreinen zullen oplossen. Het is volgens mij essentieel dat er zo snel mogelijk een goede dialoog tussen bestuurders en professionals op gang komt. Ik heb ervaring met het werken met een medische staf in de curatieve sector en dat lijkt me een prima model. Vanzelfsprekend met instemmings- en adviesrecht op domeinen die de medische zorg betreffen.

Nog vreemder vind ik dat er bestuurders zijn die denken dat voor de complexe medische ouderenzorg intramuraal volstaan kan worden met een lokale huisarts. Ik stel me zo voor dat wanneer we in dit land een kinderziekenhuis zouden inrichten, waarbij we de medische zorg bij de huisarts zouden neerleggen en de kinderarts alleen in consult erbij zouden roepen, er hoogstwaarschijnlijk Kamervragen gesteld zouden worden. In de intramurale ouderenzorg is dat echter al staande praktijk, met name in PGB-gefinancierde verpleeghuizen en daar wordt de expertise van de specialist ouderengeneeskunde niet zelden pas ingeroepen wanneer het (bijna) mis gaat. Onze leden treffen in dergelijke instellingen regelmatig misstanden aan, onder andere met betrekking tot drang- en dwangmaatregelen. Bizar eigenlijk, dus er is genoeg te doen voor Verenso.    

3. Hoe ziet u de samenwerking (verbinding) tussen de leden en het bureau?

Verenso is een ledenvereniging. Het bureau is er derhalve allereerst om service te verlenen aan de leden. Die service is er op twee niveaus: het behartigen van de belangen van alle leden tezamen, zijnde de beroepsgroep, en die van de individuele leden. Op dit moment, mede als gevolg van het programma Waardigheid en Trots, zijn we als bureau erg druk om de leden van Verenso aan allerlei bestuurlijke tafels te vertegenwoordigen. Omdat we een in vergelijking met andere artsenverenigingen een relatief kleine bezetting hebben, kan de dienstverlening voor het individuele lid qua aandacht en snelheid van reageren door onderbezetting wel eens wat in de knel komen. Het is de kunst om daar balans in te vinden.

Om de (individuele) leden beter van dienst te kunnen zijn gaan we onder andere de Verenso website en de daaraan gekoppelde functies vernieuwen en gaan we extra personeel aannemen om aan alle vragen te kunnen voldoen. Verder heeft Verenso al een regionale structuur en daar willen we meer gebruik van gaan maken. Ik zal de komende periode een tour langs alle regio’s gaan maken, enerzijds om kennis te maken, anderzijds om te horen wat de verwachtingen van de leden zijn. We prijzen ons verder gelukkig dat een flink aantal leden zich op allerlei manieren inzet voor Verenso. Aangezien vele schouders licht werk maken, roep ik bij deze leden op die, naast hun werk als specialist ouderengeneeskunde, ook iets voor de beroepsgroep willen betekenen, om zich alsjeblieft aan te melden. Er is genoeg werk aan de winkel.

4. Hoe wilt u de samenwerking uitbouwen met de samenwerkingspartners van Verenso?

De samenwerkingen zijn over het algemeen goed. Wel denk ik dat er meer mogelijk is door de handen nog verder ineen te slaan. Zo willen wij ons samen met de V&VN sterk gaan maken voor de positionering van de professional en dat is hard nodig zoals ik in een vorig antwoord al aangaf. Met de LHV zijn we actief om ervoor te zorgen dat de expertise van de specialist ouderengeneeskunde in de eerste lijn, op aanvraag van de huisarts, beschikbaar komt. Onze doelgroep blijft steeds langer thuis wonen en komt pas naar het verpleeghuis als het echt niet langer gaat. Door de specialist ouderengeneeskunde thuis in te zetten kunnen we én het verblijf thuis vergemakkelijken én onnodige opnames in het verpleeghuis of ziekenhuis voorkomen. Het is voor de oudere cliënt dus van groot belang dat hij kan beschikken over onze expertise, ongeacht zijn verblijfplaats. En ik zou graag zien dat we de banden met ActiZ stevig zouden kunnen aanhalen. Het is volgens mij heel belangrijk dat er een goede dialoog op gang komt tussen de bestuurders en de professionals, in ons geval de specialisten ouderengeneeskunde. Dat is denk ik de enige manier waarop we de ouderenzorg op een hoger plan kunnen brengen.

5. Hoe kijkt u zelf tegen het ouder worden aan en wat ziet u daarbij als grootste uitdaging?

Ouder worden is een gegeven. Hoe je ouder wordt heb je deels zelf in de hand, is deels een gevolg van je genetische opmaak en deels een kwestie van geluk hebben. Ik heb als voorbeeld mijn beide ouders, die dit jaar 80 en 86 worden, die nog gezond genoeg zijn dat ze nog regelmatig op skivakantie gaan. Op die manier oud worden is wat mij betreft een zegen, maar na zeven jaar in de revalidatie gewerkt te hebben besef ik mij terdege dat het toeval daarin eveneens een grote rol speelt. De grootste uitdaging is volgens mij om als je ouder wordt in beweging te blijven volgens het principe van ‘use it or lose it’. Letterlijk, door bijvoorbeeld veel te wandelen en te fietsen (en dan niet op een e-bike). En figuurlijk door op allerlei terreinen actief te blijven. Ook daar heb ik mijn vader een voorbeeld: hij heeft tot zijn achtenzeventigste gewerkt en op zijn tachtigste zijn laatste voorzittershamer afgegeven. Zelf heb je verder een paar dingen in de hand: daarom heb ik nooit gerookt en ben ik tien jaar geleden gestopt met het drinken van alcohol. Gelukkig zijn de Duitsers erg goed in het brouwen van alcoholvrij bier en woon ik vlakbij de grens, want ik vind de smaak van bier wel lekker!

 

* Noot van de redactie: in de volgende editie van het tijdschrift wordt haar proefschrift besproken in de rubriek Hora-Est.

Deel dit artikel

Reacties

Er zijn nog geen reacties op dit artikel

Plaats een reactie

RSS feed voor alle reacties op dit artikel | RSS feed voor alle reacties op alle artikelen